Popjournalisten.
Je zou denken dat je van een poprecensent mag verwachten dat ie enige kennis heeft van het onderwerp ‘muziek’. Dan kom je in de meeste gevallen bedrogen uit. De meeste recensenten van pop-cd’s blinken namelijk uit in onwetendheid. Ze kennen veel namen van muzikanten en producers, en ze weten dat Jantje met Pietje heeft gespeeld, in de band van Keesje, in het schuurtje van boer Japik, maar muziek-inhoudelijk is hun kennis meestal beschamend klein.
Grofweg zou je vier facetten aan muziek kunnen onderscheiden; dit is een zeer grove indeling, maar zelfs deze is al vaak te veel gevraagd voor de gemiddelde popcriticus. Je zou kunnen zeggen: muziek bestaat uit 1. Melodie, 2. Harmonie, 3. Ritme en 4. Klankkleur, of zoals de meeste popliefhebbers zeggen met een mooi Nederlands woord: ‘’Sound.’’ Of zoals ik laatst een rockgitarist hoorde zeggen: ‘’Echt een waus te gekke sound man.’’ De eerste drie hebben betrekking op wat je de ‘’inhoud’’ van de muziek zou kunnen noemen, en de klankkleur gaat over de ‘’buitenkant’’ van de muziek.
Verreweg de meeste popcritici slaan de eerste drie facetten van muziek voor het gemak over en beginnen meteen bij de ‘’sound.’’ Zo vind je in vrijwel alle recensies over pop-cd’s uitgebreide beschrijvingen van de klankkleur, ook nog eens in meestal dezelfde oppervlakkige bewoordingen: ‘’fluweelzachte strijkers’’, ‘’ijle synthesizerklanken’’, ‘’snerpende gitaren’’, ‘’pompende bassen’’, ‘’stuwende drums’’, ‘’spetterend koper’’ en ‘’een stem met een ruw randje’’.
Om te horen dat een gitaar een snerpend geluid heeft, of dat het koper spettert, hebben wij de recensent niet nodig; dat kan namelijk elke debiel moeiteloos vaststellen.
Veel interessanter is het om te praten over de andere drie veel belangrijkere facetten van muziek: nl. melodie, harmonie en ritme. Welke intervallen spelen in de melodieen van de artiest een belangrijke rol, is er een akkoord of een ligging waar de artiest veel gebruik van maakt, zijn er specifieke ritmische figuren die vaak terugkeren in het werk van de auteur, etcetera etcetera. Er vallen over muziek duizend en één dingen te zeggen; jammer is alleen dat de meeste popcritici niet weten wat een interval, een septiemakkoord, een ligging, een akkoordenschema of wat een ritmische figuur is. Zelfs de meest basale muzikale begrippen – die iedereen in één muziekles van een vrij slechte docent kan leren – zijn bij popcritici onbekend. Daarover wordt dan ook nooit zelfs maar met één woord gerept in poprecensies. Het is zelfs ‘’not done’’ onder popcritici. Daar zou de lezer geen boodschap aan hebben. Het is vergelijkbaar met een situatie waarin een kunstcriticus schilderijen bespreekt, zonder te praten over pigmenten, het materiaal van het doek of de gebruikte penselen of spatels. Alsof je over de Nachtwacht zegt: het is een vrij donker doek, met hier en daar kleine lichte plekjes erop. Alsof je zou zeggen over ‘’Komt een vrouw bij de dokter’’ van Kluun: Het is mooi geschreven en vrij dik, en het heeft een mooie kaft. Het is met andere woorden: nietszeggende informatie. Het is gebakken lucht.
Waar jazz en klassieke recensenten vaak zeer goed weten waar ze over praten, blinken popjournalisten uit in oppervlakkigheid. Laatst ook weer zag ik de volgende parel in een poprecensie: ‘’Het is een pakkend gitaarliedje dat je na twee keer luisteren kan meezingen.’’ Het schreeuwt om de vraag: ‘’Waarom is het dan zo pakkend?’’. Of deze: ‘’In sommige nummers fluistert ze, in andere zingt ze voluit.’’ Het smeekt om de vraag:’’Ja maar wat zingt of fluistert ze dan?’’ Of ‘’het is met zijn caraibische invloeden ronduit tropisch.’’ Ja daaag: ‘’met zijn Franse invloeden klinkt het nummer tamelijk Frans.’’ Wat een nietszeggend geneuzel. Krantenredacties moeten zo’n stukje afkeuren en terugsturen. Het is betekenisloze bladvulling. Je moet toch wel stront in je ogen hebben om dat niet te zien.
Over muziek is meer te zeggen dan dat het ‘’glad’’ klinkt of dat het een ‘’ruw’’ randje heeft (zoals in bijna iedere recensie wel minstens één keer gedebiteerd wordt). In dit verband wordt ook tot vervelens toe het woord ‘’gruizig’’ gebruikt.
Als je over het nummer ‘’Guitar’’ van Prince bijvoorbeeld zegt dat het snerpende gitaren bevat, zonder op te merken dat het akkoordenschema, het ritme en de melodie overduidelijk gejat zijn van ‘’Back in the USSR’’ van the Beatles, dan zie je toch wel vrij essentiele dingen over het hoofd. Als je over het nummer ‘’Mama se’’ van K3 zegt dat het ‘’synthetisch’’ klinkt, maar je merkt niet op dat de melodie ‘’gebaseerd’’ is op ‘’The Riddle’’ van Nick Kershaw, dan heb je zitten pitten. Als je niet hoort dat Bruce Springsteen maar drie akkoorden kent, en dat de melodieen van Sade al twintig jaar gebaseerd zijn op dezelfde intervallen, dat ‘Sweet Goodbyes’ van Krezip zonder voetnoten citeert uit ‘’Here there and everywhere’’, en dat ‘’Waarom nou jij’’ van Marco Borsato is geschreven op een zogeheten I-VI-IV-V akkoordenschema, waarop al tienduizend keer eerder een popliedje werd geschreven: ik denk aan ‘’Ti Amo’’ of ‘’I will’’ of ‘’I’ll be watching you’’ of ‘’Denise’’ of ‘’Ik wou dat ik jou was’’ of ‘’de Vlieger’’ of ‘’Joepie Joepie is gekomen’’ of ‘’Pak maar mijn hand’’ van Nick en Simon of ga zo maar door, dan heb je niet alleen poep in je ogen maar ook in je oren.
Het is hoog tijd dat alle Nederlandse poprecensenten verplicht met sabbatical gaan om een basale cursus muziektheorie te gaan volgen. En daarna moeten ze met zijn allen nodig eens langs bij boer Japik in Veenhuizen, om hun oren en ogen uit te laten mesten. En als we dan toch bezig zijn, zou een extra weekje taalvaardigheid ook geen overbodige luxe zijn. Dan kunnen ze meteen leren dat er voor de woorden ‘’catchy’’, ‘’sound’’, ‘’hook’’, ‘’release’’,’’album’’, ‘’track’’, ‘’charts’’, ‘’singer’’, ‘’songwriter’’, ‘’frontman’’, ‘’backing vocal’’, ‘’lead’’, ‘’lick’’ en ‘’superficial nitwit’’ prima Nederlandse alternatieven zijn.
Topklunzen
Eigenlijk zijn topsporters zielige mensen. We zijn gewend ze op te hemelen; iemand die kampioen wordt is dus ook 'goed.' Een kampioen is een 'kanjer.' Die draagt bij aan het prestige van Nederland. Die krijgt een lintje en een kneepje in de wang van Erica Terpstra. Een kampioen mag zelfs een paar overduidelijk mindere eigenschappen hebben tegenover die prestatie; je streept het tegen elkaar weg. Van Gaal is nors en licht paranoïde; maar hij is een geweldige coach dus hij mag zo zijn. Edgar Davids is zeer licht ontvlambaar en niet zelden gemeen tegen zijn tegenspelers, maar hij presteert dus mag het. Arjen Robben doet vaak net of ie neergehaald wordt, maar hij maakt goals, dus mag het.
Maar iemand die de hele tijd maar bezig is om de beste te zijn is eigenlijk een beetje raar. Die is eigenlijk niet helemaal goed. Die is eigenlijk heel erg kinderachtig blijven hangen in een soort 'ik ben lekker beter dan jij'-mentaliteit. Een gesublimeerde 'lekker puh' houding.
Eigenlijk zijn sporters, vooral de hele goeie zoals Sven Kramer, goed beschouwd heel zielig. Heel deerniswekkende peuters die een ander het licht in de ogen niet gunnen. En die zich laten foppen door een stukje nepgoud met een felgekleurd lintje eraan. Die 'getergd' zijn door iemand anders zijn topprestatie, en die het minste of geringste zien als een aantasting van hun eigen eer als winnaar.
Die pas blij zijn als iedereen voor ze klapt en ze toejuicht, en zwaar stuk zitten als ze eens niet als eerste over de streep komen. Topsporters zijn eigenlijk klunzen die hun eigenwaarde ophangen aan hun plaats op de ranglijst. Die persé op hun hoogtepunt moeten stoppen omdat ze anders levenslang met een grote frustratie blijven zitten. Topsporters zijn geen toppers: eigenlijk zijn topsporters geestelijke kleutertjes.
Verdichting.
Wanneer je veel tijd steekt in het opnemen van een mooi liedje dan verdicht je als het ware de tijd. Je stopt veel uren arbeid in een nummer dat in drie minuten weer voorbij is. Je kunt het je voorstellen als een trechter waar je bovenin tientallen uren gooit, en onder komen er een paar minuten uit. Wanneer het nummer een succesnummer wordt kun je het voorecht beleven dat vele mensen het nummer vaak gaan draaien. Dan wordt de tijd als het ware weer uitgerekt, aangezien overal in het land mensen die drie minuten keer op keer gaan beleven. Zo stapelen de minuten zich weer op tot vele uren, en ontstaat er weer een omgekeerde trechter. Bovenin gooi je éen keer drie minuten, en aan de onderkant komen er weer veel uren uit. De twee trechters vormen samen een diabolo van tijd.
In mijn leven heb ik al talloze keren trechters gebouwd, en een enkele keer een diabolo. Toen dacht ik: als ik nou eens probeer om zo weinig mogelijk arbeid te steken in een liedje; dan staan mijn trechters altijd op hun kop. Dan kan ik zorgen dat ik de tijd alleen maar uitrek en niet eerst verdicht. Dan improviseer ik een liedje, zonder er eerst over na te denken, en rek ik zo de tijd uit. En als je de tijd uitrekt, leef je langer. Zo kan ik door te improviseren mijn leven verlengen.
Maar helaas, mijn snode plan viel in duigen toen ik bedacht dat improviseren nooit zonder voorafgaande arbeid kan bestaan. Heel mijn leven ben ik al aan het oefenen. Elke keer dat ik optreed is repetitietijd voor een eventuele latere improvisatie. Zo zag ik mijn droom over een eeuwig leven in rook opgaan, en heb ik mij opnieuw met tegenzin verzoend met mijn sterfelijkheid. Ik ben gedoemd mijn leven lang trechters te bouwen, en ik kan alleen maar hopen dat er af en toe per ongeluk een diabolo tussenzit.
Ik ben de Buddha
Voor ons vierde theaterprogramma seks en drugs en hoog-barok heb ik een sketch bedacht waarin Thomas zijn nagel breekt en heel hard 'kut' roept. Ik antwoord daarop door te zeggen: 'Kan dat niet iets fantasierijker? Bijvoorbeeld door niet 'kut' te zeggen maar 'poort naar de hemel' of 'kapel van de min' of 'tuin van extase'?' Vervolgens moet ik zo’n honderdenvijftig omschrijvingen van 'kut' noemen om Thomas op een beter idee te brengen. Dit is nog geen eenvoudige opgave want honderdvijftig versies van één en hetzelfde ding uit je hoofd leren valt niet mee. Om dit toch voor elkaar te krijgen heb ik een systeempje gebruikt van een beroemde geheugenexpert die zo bekend is dat ik zijn naam ben vergeten. Deze man raadde aan om een routekaart in je hoofd te ontwerpen en overal langs de route, op bekende plekken, de te onthouden voorwerpen neer te leggen. En dan wel zo dat de plekken telkens een verband hebben met de te onthouden voorwerpen. Dit zorgt voor een referentiekader dat het onthouden vergemakkelijkt.
Zo gezegd, zo gedaan. Ik heb in mijn hoofd een wandeling uitgezet over een landgoed met daarop een groot kasteel. Op dit landgoed bevinden zich: stallen, een smidse, een tuin, een aanlegsteiger, een vuilnisbelt, een kapelletje, een begraafplaatsje. En in het kasteel zelf vind je een grote pronkzaal met open haard, rechts een keuken en een wapenkamer, links een biljartzaal en een studeerkamer. Boven een zolder en in de kelder een gangenstelsel met kerkers en nissen. Tijdens het spelen van deze sketch maak ik in mijn hoofd een klein wandelingetje over het landgoed, en overal vind ik vier tot acht omschrijvingen van 'kut'; in de tuin vind ik o.a. 'bed voor mijn asperge' en 'zompige lusthof'. In de stallen bijv. 'stal voor mijn ros' en 'garage voor mijn slee'. In het kapelletje: dingen als 'kathedraal van de tederheid' en 'krypte van de bekoring'. In de studeerkamer vind ik o.a. 'poort voor mijn usb-stick' en 'liquid chrystal display voor mijn power-point-presentatie' enz. enz. Toen ik me realiseerde dat ik belachelijk veel hersenarbeid aan het steken was in dit rare inhoudsloze sketchje, bedacht ik dat dit eigenlijk heel mooi de leegheid van ons bestaan typeert. Hoe beter de totale nutteloosheid van ons bestaan te vieren dan door in je hoofd een landgoed met kasteel te ontwerpen, om dit vervolgens elke voorstelling weer nauwgezet langs te wandelen, puur en alleen om honderdvijftig keer 'kut' te kunnen zeggen. Het lijkt wel een oefening van een Zen-Boeddhist. Zorgvuldig en nauwgezet tribuut brengen aan de leegte van het zijn. Om deze gedachte moest ik onbedaarlijk hard lachen. En iedereen weet: als je hard kunt lachen om de leegheid van ons bestaan dan ben je de Boeddha. Daarom snap ik nu waarom ik deze sketch zo graag speel, en waarom ik het zo leuk vind om er overdreven veel werk in te steken. En daarom weet ik nu ook waarom ik deze sketch vreemd genoeg heel belangrijk vind in dit programma; ik vier zo namelijk de Boeddha in mijzelf.
'Veertig'
Toen ik veertig werd heb ik besloten alsnog mijn muziekstudie te voltooien. Vorig jaar juni ben ik dan ook afgestudeerd aan het conservatorium in Den Haag. Er waren al eerder momenten dat ik het niet droog hield; toen ik mijn toelatingsgesprek had gedaan en was aangenomen – als student van veertig – kon ik op de drempel van het conservatorium mijn tranen al niet bedwingen. Dit was wat ik altijd had gewild, en wat mijn familie me in mijn jeugd altijd had afgeraden. 'Muziek is leuk, maar je moet het er gewoon naast doen, als hobby.' Het was de vereffening van een oude rekening om daar, na al die jaren, toch nog te gaan studeren. De commissie had het wel vreemd gevonden: een kerel van veertig met al een halve carrière in het cabaret en op tv achter de rug die nog zonodig wil afstuderen. Ik werd behoorlijk doorgezaagd voordat de heren overtuigd raakten van mijn oprechte intenties. Ze dachten eerst waarschijnlijk dat ik even snel een papiertje wilde halen, enkel op basis van mijn ervaring in het vak. Maar dat was niet zo. Ik had (en heb) nog steeds een hele hoop te leren in het muziekvak, en was vast van plan de hiaten in mijn ontwikkeling bij te spijkeren. Voor mijn eindexamen heb ik variaties voor Strijkorkest geschreven. Ik ben namelijk verzot op violen. Ik vermoed dat ik het van kleins afaan heb geassocieerd met belangrijke concertzalen en grote musici. Maar het bleek niet eenvoudig om een orkest van 17 man bij elkaar te krijgen; vijf eerste violen, vier tweede violen, vier altviolen, drie celli en één contrabas.
Op de dag van mijn examen waren de meesten verhinderd, dus moest ik de stukken eerder opnemen met een videocamera, en deze op mijn examen op een groot scherm afspelen. Zo gezegd zo gedaan. We mochten een dag opnemen in theater aan het Spui in Den Haag. En daar was het dat ik mijn eerste keer beleefde. De geluidstechnicus, de videofilmer en ik waren het enige publiek. Verder was de zaal leeg. Ik deelde de partijen uit. Men bekeek de noten even vluchtig, en al spoedig riep de dirigent iedereen tot de orde. Hij hief de handen omhoog, en het orkest zette in, met die fluwelen klank van fluisterzachte strijkers. De klank die ik eigenlijk alleen ken van platen en cd’s, en van een enkel concert. De klank die al meteen een sfeer van autoriteit en klasse oproept. Ik stond als aan de grond vastgepijkerd, want dit was de eerste keer dat een heus orkest mijn eigen noten speelde; de rillingen liepen over mijn rug. Ik was zo ontroerd dat ik niet meer kon huilen; ik was het huilen voorbij. Voor de allereerste keer speelde een ensemble de noten die ik had opgeschreven.
Er is geen groter kado dan een orkest wat jouw noten speelt. Stel je voor: een groep van – in mijn geval - zeventien man die ingespannen turen naar de stipjes die jij hebt neergezet. Het is alsof je voor een groep ademloze toehoorders mag vertellen over datgene wat jou ten diepste beweegt. Aan het einde van de opname gingen alle strijkers weer doodgemoedereerd naar huis. Zich totaal niet bewust van wat ze zonet in mijn hoofd hadden aangericht. Ik keerde verbijsterd en vervuld terug naar huis, waar de kinderen mij net zo begroetten als anders: ha pappa. Ze hadden geen idee van het zojuist gedichte lek in mijn ziel.